|
BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN KATENDRECHT
Bestuurlijk Katendrecht in jaartallen:
- 1028: voor het eerst sprake van Rotta, de basis van Rotterdam;
- 1199: voor het eerst sprake van de ambacht Katendrecht;
- 1299: Rotterdam kreeg voor het eerst (korte tijd) stadsrechten;
- 1340: Rotterdam kreeg definitief stadsrechten;
- 1410: de bedijkers kregen de ambachtsheerlijkheid in leen;
Rotterdam verwierf geleidelijk aan dat grondgebied;
- 1766: ambachtsheerlijkheid bijna geheel in handen van Rotterdam;
- 1811: Katendrecht werd samengevoegd met Charlois;
- 1816: Katendrecht weer een zelfstandige gemeente;
- 1874: Katendrecht werd weer samengevoegd met Charlois;
- 1895: annexatie door Rotterdam.
Click hier voor de tekst van het Gemeentearchief Rotterdam.
Click hier voor de tekst van het Historisch Museum Rotterdam.
De onderstaande tekst is ontleend aan de KBO.
DE NAAM KATENDRECHT Over de herkomst van de naam Katendrecht doen verschillende verhalen de ronde. De naam Katendrecht of Kattendrecht zou zijn afgeleid van de Katten en Catten, een Duitse volksstam die rond het begin van onze jaartelling in de omgeving zou hebben gewoond. Volgens anderen hoort de naam bij het Zeeuwse geslacht Cats, dat hier veel bezittingen zou hebben gehad. Ook wordt Katendrecht wel in verband gebracht met caten of koten: eenvoudig of klein huis. Drecht betekent veer of waterloop.
HET ONTSTAAN VAN KATENDRECHT In 1199 is er voor het eerst sprake van een ambacht Katendrecht, dat behoorde aan de heer van Putten. In de 14e en 15e eeuw waren er verschillende dijkdoorbraken. Bij dijkdoorbraken in 1373 en 1374 overstroomde heel Katendrecht. De hertog Aelbrecht van Beieren gaf opdracht om het land opnieuw te bedijken. Jacob van Gaesbeek, heer van Putten, verleende in 1410 vergunningen om een nieuw zomerland in Katendrecht te bedijken. Dit wordt later vermeld als Jacob Potsland of Oud-Katendrecht. Het gedeelte dat na de doorbraak van 1463 opnieuw van dijken is voorzien wordt aangeduid als Meester Arend van der Woudensland of Nieuw-Katendrecht. De bedijkers kregen in 1410 de ambachtsheerlijkheid in leen. Het gebied Katendrecht werd in etappes opgekocht, tot het in 1766 geheel in Rotterdamse handen was.
Het wapen van Katendrecht is 'van zilver beladen met drie fasces van lazuur' (www.ngw.nl/k/katendre.htm):
hoewel ook déze (o.i. fraaiere) versie bestaat:

HEEN EN WEER In de bloeiperioden van de 'grondheerlijkheden' Katendrecht en Charlois was er behoefte aan een oeververbinding met Rotterdam. Karel de Stoute had de rechten over de rivieren en daarmee over het veer. Het veerrecht van Karel de Stoute werd in 1471 succesvol betwist door het stadsbestuur van Rotterdam. Pas in 1599, toen Rotterdam de eeuwige erfpacht kreeg, spreken oude stukken weer over het veer. De oeververbinding is in de loop der tijd veel veranderd. Het begon met een zeilpont. In 1828 begon een stoomboot de verbindingen te onderhouden. Vanwee de vorm en lage ligging op het water kreeg deze raderboot de bijnaam 'De Platluis'. Toen de eerste Willemsbrug in 1878 in gebruik genomen was leek dit het einde van het veer. Maar in het begin van de 20ste eeuw hervatte eerst particulieren en vanaf 1909 de gemeente Rotterdam de veerdienst over de Maas. Het veer tussen de Willemskadeen Katendrecht kwam te vervallen bij de openstelling van de Maastunnel voor verkeer. De laatste veerdienst werd overbodig toen vanaf 1968 de metro instond voor een snelle verbinding tussen noord en zuid.
METAMORFOSE Tegen het midden van de 18e eeuw telde het dorp Katendrecht nog slechts 51 huizen. Het dorp Katendrecht verenigde zich in 1811 met Charlois; dit samengaan duurde vijf jaar. Na een zelfstandigheid van circa 60 jaar, verenigden de dorpen zich weer in 1874. In 1895 annexeerde Rotterdam Katendrecht en Charlois. In de jaren 1887-1888 en 1895-1896 groef men ten noorden van Katendrecht twee havens: de Eerste en Tweede Katendrechtse haven. Er is zelfs sprake geweest van een Derde Katendrechtse haven, maar dit kan een rookgordijn geweest zijn voor het ambitieuze plan om de Maashaven aan te leggen. In de 19e eeuw was Katendrecht een welvarend dorp, omgeven door vruchtbare polders. Vooraanstaande Rotterdamse families (zoals Reuchlin, Van Peski en Pincoffs) hadden in het groene lustoord hun buitenverblijven voor de zomermaanden. De haven bleef groeien en ir G.J. de Jongh, toenmalig directeur van Gemeentewerken, ontwikkelde plannen voor de aanleg van ruime basishavens ten koste van het dorp Katendrecht. In 1894 werd de Rijnhaven gegraven. Hier vestigden zich scheepvaart- en veembedrijven. Het graven van de Maashaven was de volgende stap. Dit betekende het einde voor de bloeiende bedrijven in de landbouw, veeteelt, vlas- en tuinbouw. Ook moesten 650 tot 700 huizen, een kerk, scholen en buitenplaatsen gesloopt worden. Ongeveer 3500 mensen moesten Katendrecht verlaten. In 1911 was de Maashaven voltooid, maar er was van het oorspronkelijke Katendrecht, het mooie dorp aan de rivier, niet veel over. Het was een smal schiereiland geworden. De min of meer geïsoleerde woonwijk lag vastgeklemd tussen Rijn- en Maashaven, omringd door havens, pakhuizen, opslagplaatsen, scheepvaart- en spoorwegemplacementen.
NIEUWKOMERS Aan het einde van de 19e eeuw ontstond er veel werkloosheid door de crisis in de landbouw. De drukte van de Rotterdamse haven had een grote aantrekkingskracht op mensen uit Zeeland en Noord-Brabant. Tussen 1894 en 1908 werden op Katendrecht veel nieuwe huizen gebouwd. De meeste bewoners verrichtten hun arbeid in de haven, de rest in de dienstverlening. In de eerste decennia van de 20ste eeuw bepaalde de overslag van erts en kolen het karakter aan de kaden. Hierdoor was het leefklimaat in de wijk niet erg aangenaam. Dit werd nog eens verstrekt doordat bewust probleemgevallen onder de havenarbeiders in Katendrecht geplaatst werden. Uit een onderzoek uit 1904 komt Katendrecht - maar eigenlijk heel Rotterdam- naar voren als een boevennest. Onterecht kreeg Katendrecht een slechte naam: door de havenarbeiders met hun onregelmatig bestaan, door de Chinezen en door de dames van lichte zeden.
CHINEZEN In juni 1911 gingen de Amsterdamse en Rotterdamse zeelieden in staking. Toen haalde de Rotterdamse Lloyd bijna honderd Chinese stokers en kolentremmers als stakingsbrekers uit Engeland. De Chinezen vestigden zich op Katendrecht, waar veel woningen met lage huren waren. Zij legden de bodem voor de latere groei van Chinatown op Katendrecht. In 1914 opende het eerste boardinghouse voor Chinese zeelieden de deuren. Na de Eerste Wereldoorlog monsterden steeds meer Chinezen in Rotterdam af en aan en Katendrecht werd een soort Chinese kolonie. In 1922 waren er al 16 boardinghouses in de Delistraat en omgeving. Vaak hoorde er bij het logement een winkel, en ook een gok- en opiumgelegenheid. De wereldwijde crisis in de jaren dertig ging niet aan de Chinese schepelingen voorbij. Werkloze zeelieden uit België en Engeland kwamen naar Nederland, op zoek naar ondersteuning. In 1929 telde Rotterdam 534 Chinezen; twee jaar later al 1306. De grote werkloosheid dreef de Chinezen ertoe een uitweg te zoeken. Velen gingen aan de slag met de fabricage van pindakoekjes, die bij de Hollandse kinderen als pindarepen bekend werden. Met een blikken trommel voor de buik zwierven de Chinezen door de stad, terwijl ze "pinda, pinda, lekka, lekka" riepen. Door de na 1936 wat aantrekkende scheepvaart waren toen alweer zo'n duizend Chinezen uit ons land vertrokken. De autoriteiten speelden een kwalijke rol in het vertrek van zieken en bejaarden, die ongeschikt waren voor het zware zeemansleven. Op kosten van de overheid zijn ongeveer 1200 mensen naar Hongkong getransporteerd. In 1940 telde Katendrecht nog maar 200 Chinezen.
VERMAAK OP DE KAAP In het begin van de 20ste eeuw bestond de Zandstraatbuurt nog, het toen beruchte vermaakkwartier voor zeelieden (en dit maakte later plaats voor het nieuwe stadhuis aan de Coolsingel). Toch was Katendrecht al bezig om een deel van de passagierende zeelui weg te lokken. De Kaap had met haar lichtekooien een aanzuigende werking. De sfeer was er gezellig, in de talloze café's speelden accordeonisten en er was volop gelegenheid om te dansen zoals in het beroemde Walhalla op de Sumatraweg. Vóór de oorlog knapten de dames van lichte zeden op Katendrecht zélf hun zaakjes op. Er werd niet veel getippeld; de klanten werden vooral gezocht en gevonden in de kroegen in de Delistraat. Na het Duitse bombardement van 14 mei 1940 was het uitgaansleven van Rotterdam massaal naar de Kaap uitgeweken.
TWEEDE WERELDOORLOG Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het de Duitse soldaten en mariniers verboden om Katendrecht te bezoeken. Geslachtsziekten zouden de raszuiverheid kunnen aantasten. De verbodsborden stonden bij de toegangsweg over land en bij de veerponten. Het verbod had als voordeel dat het schiereiland een soort veilige 'haven' werd binnen bezet Rotterdam. De verboden jazzmuziek werd op Katendrecht gespeeld en ook onderduikers vonden er een plek. Aan het eind van de oorlog bliezen de Duitsers de haveninstallaties op. Door de vernietigingsactie werden ook zo'n 1500 woningen onbewoonbaar.
PROSTITUTIE Tijdens de oorlog kregen de prostitué's minder en minder klanten, maar na de bevrijding steeg de vraag weer snel. Ongeveer tot 1970 gingen de Katendrechters en de prostitutie prima met ekaar om: de 'meisjes' waren medewijkbewoners. Overdag was het gezellig druk op Katendrecht. Het was een komen en gaan van duizenden havenarbeiders. Horeca en detailhandel bloeiden, want 's avonds was Katendrecht een 'wereldplaats' met vrolijk verlichte bars, feestende matrozen en dames van lichte zeden. De harmonie verdween toen bordeelhouders en souteneurs verschenen die besloten dat de zaken op de Kaap anders aangepakt moesten worden. Panden werden opgekocht en voorzien van uitdagende lichtreclames. In zo'n beetje elke straat kwam een bordeel. Onmiskenbaar ging de bevolking zich verzetten. In 1972 waren er 121 bordelen met daarin 385 prostitué's. Zij ontwikkelden zich en de sfeer werd militanter. Actievoerders van het wijkorgaan en souteneurs troffen elkaar en er waren dreigementen met lijfelijk geweld. Het gebouw van het wijkorgaan ging in 1973 in vlammen op.
VERANDERING Veel bewoners waren de situatie van de woningen, de woonomgeving en de overlast van de prostitutie meer dan zat. Zij richtten spontaan Areka - Actiegroep Redt Katendrecht - op. Onder druk van de vele acties van Areka besloot de gemeenteraad van Rotterdam om in 1975 een tweesporenbeleid te gaan voeren. Het ene spoor voorzag in de start van de stadsvernieuwing op Katendrecht en het andere spoor in het tegelijkertijd verwijderen van de overlastgevende prostitutie uit de wijk. In de periode van de stadsvernieuwing (1975-1990) werden 850 woningen en 57 bedrijfsruimtes gerenoveerd. Daarnaast werden 750 nieuwbouwwoningen gerealiseerd op de Eerste en Tweede Katendrechtse Haven. De bijbehorende stappen waren controle op de toewijzing van woningen en de sanering van de horeca en het midden- en kleinbedrijf. Dankzij de stadsvernieuwing en de niet aflatende strijd van de bewoners is de overlastgevende prostitutie geheel uit Katendrecht verdwenen en heeft de wijk een metamorfose ondergaan.
NIEUW TIJDPERK Het is duidelijk dat Katendrecht zal blijven veranderen. Met alle plannen staat de wijk alweer op de drempel van een nieuw tijdperk. Maar dát is weer een ander verhaal ...
[weer terug naar boven]
|